Private Parts
1996 - 1997
Vrijdag 5 april. Mooi weer.
Blijf maar in de weer met projectie, gisterenavond ook. En vanmorgen heb ik sterk het idee om het felle daglicht buiten te sluiten en van het atelier een enorme Hut te maken, waar dag en nacht naadloos in elkaar overgaan. Weg met alle gedoe.
Zondag 7 april. Pasen heet het. En het wordt prachtig weer.
Bedacht gisteravond dat ik standaarden wil hebben om modules op te zetten, zodat ik van een enorme projectie onderdelen uit kan halen, details verzelfstandigen.
Zes standaarden gemaakt, nog drie erbij.
Het is fascinerend hoe ik het beeld uit elkaar kan halen. In een volstrekt doorsnee dia zit een zee aan beeld verborgen.
Dinsdag 9 april. Grijs, fris.
Dwing ik mezelf tot schilderen? Op een manier zoals ik nog nooit deed? Kleurig, figuratief? Regeneratie, degeneratie, opportunisme?
Al mijn negen standaarden staan op wieltjes. Nu nog mijn oude palet schoonmaken en dan kijken, kijken en noteren.
Zondag 14 april. Het wordt schitterend weer.
Ben het omgaan met verf en penseel volledig kwijt. Niets komt op zijn plek, niets krijgt kleur en het blijft projectie.
Ouderwets sakker ik weer tegen mezelf: ‘erdoor, erdoor’. ‘Maak het jezelf niet zo moeilijk’, roep ik tegelijkertijd.
Vrijdag 19 april. Het wordt heerlijk weer.
Ziet, ik teken weer. Eeuwen geleden. Moeizaam. Twijfelend komt er wat werk op gang. Voel toch dat ik mijn ogen train. Begon de morgen met de WC te fotograferen, de wasbak en de nagelborsteltjes.
Heb gisteravond de eerste zwaluw in zijn nestje aan ons huis gezien. 20 april!
Vorig jaar 24 april.
Woensdag, 24 april. Mooi, maar schraal.
Las gisteravond in de catalogus van Paul Thek. Ook hij hernam het schilderen en schrijft: ‘That I must see design and form + not photographic mimicry. So I must remember: practice, patience, observation, form, masses. Simplicity, omit, omit, omit, take charge more, don’t just imitate!’
Hier op het atelier, met alle lichten aan, klettert het op het dak, zie ik hoe mager het is wat ik aan het doen ben. ‘Mezelf helemaal opnieuw leren schilderen’
Er lag een dood vogeltje voor het grote raam, zo mooi en fijn, een Tjiftjaf,
Tjiftjaf (een Onomatopee). TJIFTJAF
Zondag 5 mei. Zo helder, maar koud.
En alsmaar zit natuurlijk dat werk in mijn hoofd. Het werk dat ik niet kan vinden. Neem me voor niets te hoeven maken, niets te zoeken, niets te bewijzen.
Niks, zitten, kijken, wat tekenen.
Maandag 6 mei. Zon, fris.
Ruimde de hele achterwand op. Nina hielp me over de brug. Ze zag dat ik toch duidelijk koos voor uitvergrote details van mensen, als of je met een vergrootglas speurt. Het gaf me moed om nog eens 24 modules roze te maken en verder te gaan.
Donderdag 9 mei.
Stond ik gisteren toch voor het eerst sinds jaren uren achter elkaar te schilderen.
De hele dag. Niet te geloven, en het merkwaardige fenomeen deed zich voor dat ik een onstuitbare zucht kreeg naar een shagie. Zo is die concentratie en achteruit lopen om te kijken aan roken verbonden.
Trouwens toen we naar bed gingen zag ik zoveel moois, opengeslagen bed, slaapkamers etc. Het eerste wat ik vanochtend deed toen ik mijn ogen open had, was nog een film volschieten met opstaan beelden, met kwart over zeven ochtend opstaan licht.
Donderdag 23 mei. Regen, grauw.
Begon gistermorgen hier op het atelier mezelf te fotograferen in me blote kont.
Ook de foto’s van mijn verouderende lijf zijn ontnuchterend, maar mooi.
Het is een goede remedie om jezelf te fotograferen. Je denkt dat je nog strak in je vel zit, en dat iedereen om je heen verouderd, je eigen vrouw ook (goh, ik zou eens een jongere moeten nemen), want zelf verouder je in je hoofd niet. Nou, dan moet je je eigen ongeziene kanten maar eens fotograferen, zoals je achterkant. Dat zet je met beide benen op de grond.
Vanmiddag zal ik uitgebreid mijn smoel gaan fotograferen, ik ontloop mijn gezicht al jaren, duik weg voor spiegels, ga die confrontatie niet aan. Nog durf ik niet voor een spiegel te gaan zitten, maar wel voor mijn camera. Via de camera.
Vrijdag 31 mei. Minder warm dan gisteren.
Ik moest maar springen en maken, mijn eigen hoofd en lijf maken en maar zien wat er van komt. Anders blijf ik projecteren en nog slimmere dingen bedenken en kom ik tot niks.
EN HET WERD NOG ERGERE PHOTOGRAPHIC MIMICRY, TOT HET MIJN PENS EN STROT UITKOMT!
Maandag 3 juni.
Mijn bek, mijn laatdunkende bek moet ik maken.
Sta ik toch de godvergeten dag te proberen, machteloos te trachten mijn eigen mond te schilderen. Tot gek wordens toe, en ik kan het niet grijpen. Zet na jaren een spiegel tegenover me op tafel en bekijk mijn rooie kop en zijn zuinige bekje. Bestudeer de kleur van mijn lippen en mijn mond. Ongrijpbaar. Waarom wil ik in godsnaam mijn mond zo schilderen dat het mijn mond is, dat de modules open en dicht kunnen gaan? Waarom wil ik dat figuratief schilderen?
Het lijkt wel of ik weer katholiek word, maar dan nog veel fanatieker.
Moet ik projecteren of alleen maar in de spiegel kijken, ik weet het bij god niet.
Donderdag 6 juni. Bloedje warm.
Maakte gisteren toch een paar keer mijn rooie kop, zo dat ik er naar kon kijken. Zomaar mijn smoel maken zonder te weten. Hield voor het eerst sinds dagen niet met een machteloos verloren gevoel op.
Heel langzaam begin ik te schilderen. Schilderen is loslaten.
Vrijdag 14 juni. Bewolkt, fris, noordenwind.
Projecteer mezelf met ontbloot bovenlijf, wagenwijd opengesperde mond en rooie wangetjes. Bleek lijf, rooie kop.
Zondag 23 juni. Noordwest.
Schilder mijn open mond met m’n tong daar in het gat. Dat heb ik nog nooit gedaan. Zou die lap vlees willen schilderen als een bloem, als een pioenroos die overstelpend aan dat gat ontsnapt. Het rare ding doet ons likken, eten, proeven, zoenen. Obsceen ding, rare lap.
En ik schilder mijn tong, de lap die van binnenuit mijn lijf komt, witachtig, paarsachtig, de dood inhoudend.
Dinsdag 25 juni. Na een enkel spatje, bewolkt.
Nu moet ik verder. Ik strandde op de geschilderde tong. Weet niet goed hoe verder, alleen nog niet met mezelf klaar.
Woensdag 28 aug. Echt herfst, heel stil.
Ook in huis. Doodstil, ook het werk staat stil. Vind er niet veel aan wat ik doe, saai.
Ik saai.
Zondag 13 okt. Wordt een prachtige dag.
Honderden dia’s heb ik afgelopen week gemaakt.
Vrijdagavond projecteerde ik zo’n enkele dia op de witte achterwand en de module van 32 cm x 33 cm naar 1 meter 70 x 1 meter 80.
En verdomd de gedachte alleen al zou me moeten doen kotsen: Opeens kreeg ik zin om zo’n groot schilderij te maken. Ik werd er opgewonden van. Maar dan geen doek of spieramen, wel een groot stuk karton of zo.
‘Ik ga wel terug, maar ik ga nooit meer terug, begrijp je’ (Joseph Brodsky)
Maandag 14 okt. Nog een prachtige dag.
Onrust.
Spring in het diepe en begin kartonfabrieken te bellen. Grote platen van 1,80 x 1,80 cm zijn niet te vinden. Toch betekent dit dat ik wil gaan schilderen. Hevig schilderen.
Zondag 20 okt. Heel nat. Zuidwester. Herfst.
Wacht eigenlijk op de platen karton om een nieuwe fase in te gaan.
‘Om op m’n bek te gaan’.
Donderdag 31 okt. Stormachtig, maar droog.
Ja, er hangen al twee kartonnen panelen aan de muren. Ik vind het prachtig (en angstig tegelijk).
Vrijdag 1 nov. Zacht en nat.
Langzaam kom ik op het punt van: No return. Dan moet ik verf pakken en beginnen.
Woensdag 6 nov. Zuidwesterstorm 10. De nieuwe Erasmusbrug schommelt als een speeltje.
Borstel ik hele grote platen onder de verf en ik schilder of mijn leven er van afhangt.
En dan slaat de twijfel toe. Is het formaat niet te groot, waarom is het niet spannender?
Vrijdag 8 nov. Een stralend scherp heldere morgen.
Als ik de dakgoot schoonmaak, vliegen 7 zwanen in formatie, beschenen door de zon, over mijn hoofd. Prachtig.
Ben gisteren aan ‘Private parts 4’ begonnen, stuk nek en rug. Heel erg onbepaald, nergens houvast. Ik geniet er van.
Maandag 11 nov. Droog, stil, fris.
‘Rose c’est la vie’. Begon er gistermiddag aan. Precies andersom als ik het in het klein heb gemaakt. Rozer kan ik het niet maken.
Rosesellavie (Duchamps)
In alle twijfel draai ik ook de laatste serie dia’s die ik van mezelf in mijn nakie maakte door de projector en daar blijkt een grote serie bij te zijn, een stuk of tien prachtige dia’s, van mij zittend op een krukje. En verdomd, ik kan het niet helpen: terug in de tijd, nee nog verder, voor die tijd wil ik werken. Angstig is het, beangstigend is het.
Academisme altijd verafschuwd, gehoond, verworpen. En nu ben ik er aangeland in mijn dobberbootje!
Donderdag 26 dec. Een prachtige wintermorgen. Fikse vorst, heldere lucht, geen wind.
Geef het schilderij op. Het zit er niet in.
Make belief - werken krijg ik in dit geval voor mezelf niet te pakken.
Maandag 30 dec. Minder koud, dus sprake van Elfstedentocht.
Ineens was het me duidelijk dat het om die ene lijn gaat, tussen wel materie en geen materie.
Zondag 5 januari. Het vriest licht, bewolkt.
Ben gisteren toch aan twee nieuwe kartonnen begonnen: mijn nek met gedeelte haar, en tepel + buik. Tegen de verdrukking in.
Dinsdag 14 jan. Het wordt een prachtige dag.
Kijk hoe het echt in elkaar zit en zie dan hoe mooi en kwetsbaar die lijn onder mijn kin is, hoe die lijn als muziek hangt, zo weinig, zo natuurlijk. Da’s werken!
Maandag 10 febr. Buiten is het kouder dan ik binnen verwacht.
Projecteer en wat ik wil zijn andere dingen.
Woensdag 12 febr. Zacht en nat.
Ben ik verdomme toch weer aan de kartonnen begonnen. En ook nog met veel plezier. Schilder de ruimte tussen een roze vlak en mijn hoofdhaar, schilder de omvang van mijn buik. Hoe de omvang van mijn buik de ruimte inneemt.
Zo simpel, zou ik dat bedoelen?
De tijd zal het leren of ik het eens ben met deze enorme vlakken. De leegte, het enorme vlak was vroeger een intense behoefte.
Maandag 24 febr. Na bakken regen.
De vogels twinkeleren en de takken lopen uit, De wilgen hebben katjes.
Piet Gerbrandy. Debuutbundel: ‘Weloverwogen en onopgemerkt.’
Gebruikt ‘On say On’ van Beckett als motto. Uitgegeven bij Meulenhof.
Mijn hoofd en lijer, wil niet verder dan deze grote vormen. Ik weet niet beter.
Ik ben aan een ‘Schouder’ begonnen. Merk dat ik hou van gesmeer met verf. Gewoon dat je de penseelstreek kunt zien, het gevecht, het gedoe.
Dit in tegenstelling tot de grote uitdrukkingsloze vlakken die ik vroeger maakte, je mocht geen beweging, geen persoon er achter zien.
Vrijdag 7 maart. Voorjaar.
Waag het nu zelfs om er aan te denken mijn smoel te gaan schilderen. Los van mimicry, maar zoals ik het voel en soms zie. Oh zo rood, Daar moet ik iets mee doen.
Maandag 10 maart. De zon, de zon.
Ik kom met mijn ‘Private parts’ uit op mijn smoel.
Het is het laatste wat me overblijft. De volstrekte non-communicatie die ik met mijn werk bereikt heb. Probeer jezelf maar eens te maken.
Woensdag 19 maart. Hevige regen, koud.
Denk nu dat ik de kartonnen uit elkaar moet snijden, er losse elementen van moet maken, want ik heb geen zin die witte gegeven luchten of achtergronden te schilderen.
Ik zit ook zo vast aan dat verdomde vierkant, aan die verdomde projectie. Als ik het beeld los kerf kan het vrijuit bewegen.
